De ongelovige vader

Op de dag dat er reuring is over het nieuwe boek van Marcel van Roosmalen, waarin hij vertelt al afscheid te hebben genomen van zijn dementerende moeder en besloten heeft haar niet meer op te zoeken in het verpleeghuis, heb ik besloten de zoektocht naar mijn vader te publiceren. De zoektocht in mijn herinneringen wel te verstaan.

“Weet jij nog wanneer Pa uit de kerk is gegaan?”
Deze vraag stelde ik een poosje terug plompverloren aan mijn zus. Ze wist het niet en Pa is al acht jaar dood, dus aan hem vragen kan ik niet meer. Ik had het niet eens aan mijn zus hoeven vragen, want mijn vrouw wist nog dat mijn vader voor ons trouwen de kerk de rug heeft toegekeerd. Het moet dus eind jaren zeventig van de 20e eeuw geweest zijn.
“Hoe kom je nou opeens op zo’n vraag?” wilde mijn zus weten.
“Ik ben aan een reconstructie bezig van mijn niet gelovig worden,” zei ik. Niet dat ik daar echt intensief en gestructureerd mee bezig ben, maar er komen de laatste maanden wel steeds maar herinneringen aan gebeurtenissen en gedachten naar boven die mij, achteraf bezien, momenten lijken waarop mijn ongeloof, of op zijn minst mijn twijfel, gestalte begon te krijgen.

Iets anders wat mij aanzette tot het graafwerk, was een berichtje op social media met daarin de zin: ik lees dat je vader uit de kerk was toen je 20 was, ingewikkeld denk ik ?
Ja, dat moet wel ingewikkeld zijn geweest, denk ik, maar wat weet ik er nog van?

Eerder schreef ik al dat in een telefoongesprek met een schoonzus ter sprake was gekomen dat de sfeer bij ons thuis was van “Ma en de kinderen tegen Pa”. Dat voelde als “Pa is fout en Ma is goed” want geloven in God is goed en niet geloven is niet goed en niet goed is fout. Zo simpel is het, dacht je toen.

Zomaar een aantal gebeurtenissen die mijn zoektocht op gang hebben gebracht. Wat weet ik er nog van? De afgelopen dagen zijn wat beelden naar boven gekomen, waaronder de opmerking die een andere schoonzus ooit maakte of wij soms gebeurtenissen uit onze (late) jeugd hebben onderdrukt. Destijds heb ik vermoedelijk iets geantwoord in de zin van er geen last van te hebben gehad. Nu, anno 2021, krijgt ze misschien met terugwerkende kracht wel gelijk.

Ja, er is een risico dat ik iets opschrijf wat niet helemaal overeenkomstig de waarheid is of wat gekleurd is door mijn herinneringen en gedachten over die tijd. Veel kan ik immers niet meer dubbel checken, want mijn beide ouders zijn dood. En ja, ik zou bij mijn zussen en broers navraag kunnen doen, maar ik kies er bewust voor om uit mijn eigen herinneringen te putten. En waar ik eerst was begonnen om dit als fictie te schrijven, besloot ik na het bericht over de onthullingen van Marcel van Roosmalen in zijn boek “Mijn legendarische moeder”, om dit als een feitelijk relaas te ontrafelen.

Mijn vrouw weet nog dat we naast mijn moeder zaten toen de kerkenraad met droefheid meedeelde dat broeder Anthonie Zijderveld zich onttrokken had aan opzicht en tucht van de kerkenraad. Er is vast gebeden voor het zielenheil van mijn vader, opdat hij zich mag bekeren van deze verkeerde weg of zo iets. Vast en zeker werd ook het gezin opgedragen aan God om in die moeilijke omstandigheden stand te houden tegen de verleidingen des duivels.

Aan de mededeling van de onttrekking van. mijn vader moeten afkondigingen vooraf zijn gegaan, want voor zo ver ik weet heeft mijn vader niet van de ene op de andere dag de kerk vaarwel gezegd. In de tuchtprocedure van de GKV was er een soort drietrapsraket. Eerst gesprekken met de zondaar, dan na overleg met de classis de bekendmaking aan de gemeente zonder en met naam en tenslotte de uitsluiting uit de gemeente.

Ik heb dus hoogstwaarschijnlijk over mijn vader van de kansel horen zeggen dat hij ondanks vele vermaningen geen enkel teken van berouw heeft betoond.

[…] Daarom heeft de kerkenraad hem moeten afhouden van het heilig avondmaal. Dit heeft helaas niet mogen leiden tot zijn bekering. […] De kerkenraad roept u met klem op, de Here aanhoudend te bidden, of Hij deze broeder tot bekering wil brengen.

uit: Formulier voor de uitsluiting uit de gemeente van Christus – 1e afkondiging

Het is onduidelijk waar het aan gelegen heeft. Heeft de gemeente na die zondag geen gehoor meer gegeven aan die klemmende oproep? Heeft de Here het niet gewild? Nu ik dit schrijf voel ik de weer boosheid opkomen over de zakelijke, maar liefdeloze brief van de kerkenraad waarin mijn vader de wacht werd aangezegd. Ik heb nog gezocht in de restanten van zijn archief waar ik jaren geleden die brief in aantrof. Ik had hem graag als illustratie toegevoegd, maar kan hem niet meer terug vinden.

Nadat de kerkenraad de instemming heeft ontvangen van de classis, deelt hij u met droefheid mee, dat hij ingrijpender tuchtmaatregelen moet nemen. Hij maakt u nu de naam van de betrokken zondaar bekend. Zijn naam is Anthonie Zijderveld.
Met diepe ernst roept de kerkenraad u op, deze broeder liefdevol te vermanen.
Bid de Here, of Hij hem nog tot bekering wil brengen, zodat de zonde uit de gemeente gebannen en de zondaar behouden wordt.
———
[…]Maar tot nu toe is van bekering bij deze broeder geen sprake. Integendeel, alle vermaningen zijn vruchteloos gebleven.

uit: Formulier voor de uitsluiting uit de gemeente van Christus – 2e en 3e afkondiging

Of er een 2e en 3e afkondiging is gedaan, weet ik niet, maar ik zit me nu af te vragen waarom ik er als twintigjarige overheen heb gelezen dat in de 3e afkondiging wél genoemd wordt dat alle vermaningen vruchteloos zijn gebleven, maar niét of de andere opties, het gebed van de gemeente en de wil van de Here, nog iets hebben opgeleverd.

Tijdens het afkondigen van de werkelijke uitsluiting wordt de gemeente overigens nog opgeroepen hem niet als uw vijand te beschouwen, maar tracht integendeel hem te vermanen. Maar ga ook geen te nauwe banden met hem aan. Laat hem daardoor merken, dat hij zich bekeren moet. Dat wordt toch lastig als het je vader is. Het is dus maar goed dat het waarschijnlijk zover niet is gekomen. Ik denk dat mijn vader voor het zo ver was, zelf een brief schreef en zich buiten de macht van de kerkenraad heeft gebracht.

Terwijl ik nadenk over de bizarre formuleringen die destijds in gebruik waren, zie ik een koolmeesje op het dak van het vogelhuisje hele kleine voetstapjes in de sneeuw maken. Twee tellen later duikt zijn schichtig bewegend kopje steeds even snel in de pot pindakaas die vlak bij het raam hangt. Die waarneming doet me er aan denken dat ik fijne herinneringen, zoals Geluk, bewaar aan de band met mijn vader, hoewel deze allemaal wel dateren van ver voor de geloofsperikelen.

Ik betuig u nadrukkelijk voor God en Christus Jezus, die levenden en doden zal oordelen, met beroep zowel op zijn verschijning als op zijn koningschap: 2verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. 3Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, 4dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren.

Paulus aan Timotheüs, 2e brief, hoofdstuk 4.

Er zal ergens een moment geweest zijn dat mijn vader is gestopt met bidden en Bijbellezen aan tafel, maar ik vind geen referentie op mijn harde schijf wanneer dat geweest moet zijn. In ieder geval moet mijn moeder vast besloten zijn geweest om heer en meester te blijven over de christelijke rituelen, want voor en na het eten werd er hardop gebeden en voorgelezen uit de bijbel, ook toen alle kinderen het ouderlijk nest hadden verlaten en mijn ouders met zijn tweeën overbleven. Het zou me niets verbazen als er door ouderlingen of predikant ernstig op is aangedrongen om deze praktijk vol te houden met een verwijzing naar het schriftwoord “dring er op aan, gelegen of ongelegen”.

Ik voel een glimlach de ernst op mijn gezicht overnemen, als ik bij het woord verdichtsels bedenk hoe mijn vader tot vervelens toe kon mompelen dat het allemaal sprookjes waren. Ik zie hem er voor aan dit vers daarbij als inspiratiebron te hebben gebruikt.

Wat zal mijn moeder gedacht hebben? Aan mij zal het niet liggen? Ik weet het niet, maar dat herinneringen ontbreken aan diepgravende gesprekken over dat onderwerp wil immers niet zeggen dat die gesprekken er niet geweest zijn. Maar mijn gevoel zegt dat er niet over gesproken werd, ook niet over andere onderwerpen trouwens. Wat zal mijn vader gedacht hebben en hoe zal hij zich gevoeld hebben om drie keer op een dag de gewoonte van het bidden te moeten ondergaan? Ook dat weet ik niet. Wel zie ik de meewarige blikken en het cynische lachje dat mijn vader gebruikte om zonder woorden zijn mening te verkondigen.

Weet ik nog hoe het voelde? Ongemakkelijk. Vooral dat. Wat op de sfeer van Ma en de kinderen tegen Pa zeker geen positieve invloed heeft gehad, was dat de communicatie tussen mijn ouders het niveau van katten en verwijten helaas maar zelden oversteeg. Ongemakkelijk was het derhalve eigenlijk dagelijks, ook toen ik ze bezocht op hun seniorenflatje, waar Pa de hele dag met zijn pet op zat.

Ik herinner me dat ik op een zondag huilend op de trap van ons ouderlijk huis zat, maar wanneer en waarom? Was het de zondag waarop ik belijdenis van het geloof deed? Was er verdriet omdat mijn vader toen al niet meer naar de kerk ging? Was Pa er eigenlijk wel bij toen ik als jongvolwassene voor God en zijn gemeente verklaarde dat ik een afkeer had van mezelf? Of moest ik huilen omdat ik me op dat moment al afvroeg of mijn geloof wel echt was? Omdat wie vuil is nog vuiler zou worden? Gedachten zijn het. Geen zekerheden van het geheugen. Ongemakkelijk, dat was het zeker wel.

Details van die belijdeniszondag ontbreken. Gebruikelijk was dat de hele dag door jonge en oudere gemeenteleden langskwamen om de tot in het geloof tot wasdom gekomen jongere te feliciteren “met deze stap”. De ouders werden ook gefeliciteerd, uiteraard. Was toen al in de gemeente bekend dat het met die broeder de verkeerde kant opging? Dat hij op het verkeerde pad was en de eigen samenkomsten niet bezocht? Hebben de bezoekers mijn vader gefeliciteerd en ernstig toegesproken om een voorbeeld te nemen aan zijn zoon? Ik zou het niet weten, maar het lijkt me niet de minste reden om zulke toestanden snel te willen vergeten en dan ook maar niet op te slaan in een uithoekje van dat immense menselijke geheugen.

Een ander tafereel: Op de salontafel staat een grote bandrecorder. Mijn vader zet hem aan, de band begint te lopen, Pa luistert naar één zin, zet het apparaat weer af en tikt op de schrijfmachine uit wat er gezegd werd. Ik heb daar nog een rol in gehad. Ik vermoed dat ik op aangeven van mijn vader de band liet lopen en weer stilzette. Of zal ik al zelfstandig zinnen hebben uitgetypt op de Brother schrijfmachine? In ieder geval wordt zo het hele verhaal, zin voor zin, op papier uitgeschreven. Later wordt dit nogmaals uitgetypt op een stencil en vermenigvuldigd. Waar het over ging? Vrijwel zeker weet ik dat dit of over de kwestie van de Open Brief of de vrijage van het GPV met het NEV. ging. Eind jaren zestig in ieder geval.

Die Open Brief heeft op de een of andere manier een rol gespeeld in het huwelijk van mijn ouders en dus ook in ons gezin. Ook in de kerkelijke gemeente waar wij toe behoorden voltrok zich een scheiding. Meerdere gezinnen begonnen voor zichzelf en vormden later de zogenoemde “Buiten verbanders”. Mijn moeder heeft later wel eens verzucht dat ze beter ook buiten verband hadden kunnen gaan. Zou dat dan hebben geholpen dat mijn vader zijn geloof had behouden? Wie het weet mag het zeggen.

Mijn vader is jarenlang jeugdleider geweest en velen noemde hem in die tijd nog bij zijn kampnaam: Ome Toon. Hij was geliefd bij de jeugd en om zijn kennis van bijbel en belijdenisgeschriften. Toen mijn vader de kerk achter zich had gelaten, kreeg hij regelmatig te horen dat hij “best wel weet hoe het zat”. Ik heb dat vast ook wel gezegd, als het niet tegen hem, dan in ieder geval wel over hem was. Maar mijn vader verhardt zijn hart en laat zich leiden door zijn eigen denken. Dat ik hem nu gelijk geef, wil niet zeggen dat ik dat toen ook zo zag. Ik denk het eigenlijk niet.

Er komen boeken en tijdschriften in huis met titels als “Niet morgen, maar nu” en ik vraag me opeens af of dat mijn vader heeft aangespoord tot zijn veel geuite gezegde: Stel niet uit tot morgen wat gij heden doen kunt. Er was ook Amerikaanse lectuur, zoals Het Beste, de bekende Nederlandse uitgave van Reader’s Digest, en nog een ander blad. De naam wilde me eerst niet te binnen schieten, maar soms helpt het naar buiten kijken in een besneeuwde tuin om diep weggezakte kennis op te halen. De Echte Waarheid was de naam van dat Amerikaans tijdschrift. Herbert Armstrong, de oprichter van De Echte Waarheid leeft niet meer, maar op het internet lees ik dat zijn werk is voortgezet. Anno 2021 is het een rechtse organisatie die in Duitsland een sterke leider verwacht en die op basis van Amos 7 en 2 Koningen 14 er van overtuigd is dat Trump zal terugkeren en dat God dat zal regelen.

Ik vraag me werkelijk af, welke invloed dit op het denken van mijn vader heeft gehad. Je zou toch eerder een ontwikkeling verwachten in de richting van de apocalyptisch/evangelische hoek dan een bewegen naar kerkverlating? Helaas zal ik daar wel nooit meer achter komen.

Ik zie mijn vader nog in de kerk zitten: zwijgend als er werd gezongen, hoofdschuddend als de preek hem niet beviel. En altijd dat minzame lachje.

Opeens realiseer ik me dat ik me heb geschaamd voor mijn vader. Waarom? Wat deed dat gedrag van hem met mij? Was ik gekwetst in mijn vertrouwen van een liefhebbende hemelse vader? Of was er schaamte omdat een ander gevoel niet passend was bij de afkeuring die mijn moeder uitsprak over het gedrag van mijn vader?

Ingewikkeld? Ja, zeker. Meer dan ik ooit onder ogen heb willen zien.
Heeft ooit iemand gezegd dat “Eert uw vader en uw moeder” niet meer geldt als je vader ongelovig is geworden?
Ik hoorde vast een voorbeeld te nemen aan het kinderlijk geloof en rotsvaste vertrouwen in God dat mijn moeder had én ik hoorde vast een voorbeeld te nemen aan het proces van mijn vader die zichzelf toestond om zijn identiteit uit te drukken op de manier zoals hij dat juist vond.

Ingewikkeld? Ja, verdomd ingewikkeld.
Maar ik, als zoon van een ongelovige vader en gelovige moeder en inmiddels zelf al meer dan tien jaar een openlijk ongelovige vader, voel me nu vooral dankbaar dat ik ooit aan het óntwikkelen ben gegaan.