De kortste weg

Ik schrijf nu al zoveel jaren en om eerlijk te zijn, heb ik me niet eerder afgevraagd wat nu de kortste weg is om een letter op papier te krijgen.

Wat een vraag is dat ook. Waarom zou je als pen jezelf die vraag stellen. Doe gewoon je werk. Schrijf, want met dat doel en niets anders ben je gemaakt. Dat is je bestaansrecht als pen. Als ik überhaupt al enig recht heb, maar dat terzijde.

Terug naar de vraag wat de kortste weg is om een letter op papier te krijgen. Het meest voor de hand liggende, simpele antwoord is dat de kleinste letter zo klein mogelijk geschreven de kortste weg is. Maar dan, wat is de kleinste letter? De i? Met of zonder puntje? Of toch de o, die je immers vrijwel tot een punt kan bagatelliseren. Man, man, wat een dilemma, want als het niet meer herkenbaar is, is het dan nog wel een letter?

Hoe moeilijk kun je het je zelf maken en dat alleen maar ingegeven door een foto waarop een elftal jonge mensen op weg naar een bruiloft of een ander feest de kortste weg nemen en dus maar de draf- en renbaan oversteken. Geen paard in zicht, dus veiligheid gegarandeerd, maar dit tafereel is er dus verantwoordelijk voor dat ik me als pen enige vorm van zelfreflectie toesta.

Associëren is niet wat ik dagelijks doe, maar op zich is het wel een geinige manier om eens anders te denken over mijn functioneren als schrijfgerei. De kortste weg stelde ik mezelf als vraag. Aspect 1 was welke letter en als tweede aspect zou ik willen onderzoeken hoe ver moet of kan ik mijn kopje oplichten om die kortste weg naar mijn basisfunctie, het zichtbaar maken van woorden, te overbruggen. Het kan niet ver zijn.

(De foto als referentie voor een schrijfoefening waar de ik-figuur je pen is
– 8 mei 2019 workshop Ko van Vaardegem)