Zeeën van zee

De zee trekt.
Altijd.
Omdat er ruimte is.
Eindeloze ruimte.
Omdat je zicht niet beperkt wordt.
Eindeloos uitzicht.
Noch verstoring door de omgeving.
Eindeloze rust.
Geen prikkels die je opjagen te voldoen aan de grillen van anderen.
Of die van de tijd.

Eindeloos. 
Aan zee heeft iemand de eeuwigheid bedacht.  

 

Sea Fever

I must go down to the seas again, to the lonely sea and the sky,
And all I ask is a tall ship and a star to steer her by;
And the wheel’s kick and the wind’s song and the white sail’s shaking,
And a grey mist on the sea’s face, and a grey dawn breaking.
 
I must go down to the seas again, for the call of the running tide
Is a wild call and a clear call that may not be denied; 
And all I ask is a windy day with the white clouds flying,
And the flung spray and the blown spume, and the sea-gulls crying.
 
I must go down to the seas again, to the vagrant gypsy life,
To the gull’s way and the whale’s way where the wind’s like a whetted knife;
And all I ask is a merry yarn from a laughing fellow-rover,
And quiet sleep and a sweet dream when the long trick’s over.

John Masefield – bron

Dit gedicht is door John Ireland op muziek gezet voor solozang en piano.

Ik had haar nog nooit gezien. We klommen langzaam door het mulle zand tot boven op het duin. Wat ik toen zag, ben ik nooit meer vergeten. Dat de zee zó groot was, bedwelmend, hoe had ik dat kunnen weten? Zou later opschrijven:

Dat zoiets groots in je ogen past.

Herman van Veen in Voor het eerst (pag. 174) – uitgegeven bij Thomas Rap