Wie niet dwaalt, wordt nooit verstandig

Hulpeloos

Onlangs las ik het veelbesproken boek Hulpeloos, maar schuldig van Aleid Schilder.

Bedoeld als vakliteratuur voor psychologen, maar het zou me niet verbazen als dit boek meer gelezen en becommentarieerd is door theologen en hun volgelingen. Een depressie heb ik gelukkig nooit gehad, maar ik vind Schilder’s waarnemingen en gevolgtrekkingen wel herkenbaar.

Bijvoorbeeld in hoofdstuk 6.2. Opdracht tot neerslachtigheid, waarin zij schrijft:

Het uitgangspunt van de gereformeerde leer, verwoord in deel I van de Heidelbergse Catechismus […] , is de ellende van de mens.
[…]
In het Avondmaalsformulier wordt men vermaand een afkeer te hebben van zichzelf: ‘…bedenke een iegelijk bij zichzelf zijn zonden en vervloeking, opdat hij zichzelf mishage’.
[…]
Hoe anders het in religieuze zin ook bedoeld mag zijn, psychologisch is het effect (van de gebruikte formuleringen) dat er assumpties (= veronderstellingen) worden geleverd in de geest van ‘als ik niet intens van mijn zonden ben doordrongen, ga ik verloren’. ‘Als ik spontaan iets voel, kan dit een uiting zijn van mijn zondige aard’. ‘Me goed voelen is slecht’.
Mocht het zondebesef er bij in dreigen te schieten, dan roept Messelink ons tot de orde met Jacobus 4.9: ‘Beseft uw ellende, treurt en weent. Uw gelach moet veranderen in treurigheid en uw vreugde in neerslachtigheid’.
Een opdracht tot treurigheid.

Nou, da’s wel genoeg.

Dit onderwerp raakt ook Wouter ten Haaf op zijn website. Hij stelt dat mensen zich in het algemeen niet bewust zijn van hun kernkwaliteit. Als een oorzaak daarvan wijst hij op de invloed van het calvinisme op de Westerse Cultuur.

De uitspraak van Paulus “de mens is niet in staat tot enig goed, maar geneigd tot alle kwaad” heeft een enorme invloed gehad op het Calvinistische denken en daardoor op het zelfbeeld van de Westerse mens. Doordat in het Calvinisme tegelijkertijd de eis gesteld werd van volmaaktheid, kwam de mens in een onoplosbaar probleem met zichzelf. Aleid Schilder heeft in haar boekje Hulpeloos maar schuldig aangetoond, dat hier de oorzaak ligt voor het feit, dat binnen de Gereformeerde gezinte zoveel mensen lijden aan depressieve aandoeningen.

Erich Fromm verwoordt in zijn boek Psychoanalyse en religie (pag. 68) dit intrapsychisch conflict als volgt:

“De vervreemding van eigen krachten doet de mens zich niet aleen slaafs en afhankelijk voelen van God, het maakt hem ook slecht. Hij wordt iemand zonder geloof in zijn medemensen of zichzelf, iemand die noch zijn vermogen tot liefde noch de macht van zijn rede heeft ervaren. De scheiding tussen het ‘heilige’ en het ‘profane’ is het gevolg. In de wereldse activiteiten handelt de mens zonder liefde en in die sector van zijn leven die gereserveerd is voor de religie, voelt hij zich een zondaar (wat hij ook werkelijk is, want leven zonder liefde is in zonde leven) en tracht hij iets van zijn verloren menselijkheid terug te winnen door in relatie te staan tot God. Tegelijkertijd probeert hij vergeving te krijgen door de nadruk te leggen op zijn hulpeloosheid en waardeloosheid. Zo leidt zijn poging om vergeving te krijgen tot het activeren van dezelfde houding die verantwoordelijk is voor zijn zonden. Hij zit gevangen in een pijnlijk dilemma. Hoe meer hij God prijst, hoe leger hij wordt. Hij leger hij wordt, hoe zondiger hij zich voelt. Hoe zondiger hij zich voelt, hoe meer hij God prijst – en hoe minder hij in staat is zichzelf terug te winnen.”

De KERNKWALITEIT representeert het goede in de mens. Wie echter zo vervuld is van de eigen zondigheid en waardeloosheid als hiervoor beschreven en daardoor een buitengewoon negatief zelfbeeld hanteert, krijgt moeilijk kontakt met zijn eigen kernkwaliteit.

 

Tot slot twee uitingen van Goethe:

“Wie niet dwaalt wordt nooit verstandig”

En zijn beroemde gedicht Erlkönig, door Schubert op muziek gezet en hier gezongen door Dietrich Fischer-Dieskau.

 

Gelezen: Aleid Schilder, Hulpeloos maar schuldig, het verband tussen een gereformeerde paradox en depressie, Ten Have – 2000 – 9e druk