Het woeden der gehele wereld

Grappig, tijdens het terugbladeren in dit boek van Maarten ’t Hart, en het met twee ogen digitaal bladeren las ik op bookgrlls dat zij, net als ik, een paar van de vele omgevouwen hoekjes gaat overtikken. Bij één citaat bleef ik echter hangen, nam er een zin bij aan de achterkant, aan de voorkant en het werd het een halve bladzijde. Die verder niets zegt over de inhoud van het boek, maar wel over mijn motivatie om ’t Hart weer te gaan lezen, want hij als Zomergast kluisterde mij een zomerse zondagavond aan de buis.

Toen klonken daar die openingsmaten van Du Hirte Israël, höre en het werd mij rood voor de ogen. Ik zie het nog allemaal voor me: die erker, dat zonlicht, de glinsterende rivier. Ik hoor nog hoe Janny door de muziek heen praatte, en weet nog dat ik haar op dat moment haatte, een haat die echter dadelijk door Bach ook weer tenietgedaan werd. Wonderlijk dat iemand die al meer dan tweehonderd jaar dood is  meer voor je betekent dan enig levend wezen. Raadselachtig dat je met zo’n diepe verering naar iemand kunt opzien die alleen maar voor je bestaat via klanken die niet door hem, maar door instrumenten of andermans stemmen worden opgeroepen. Toch wist ik toen, na die cantate, met dat onvergankelijke openingskoor, en die nog onvergankelijker bas-aria, dat ik mijn leven lang Bach lief zou hebben boven alles, met heel mijn hart en heel mijn ziel en al mijn kracht en al mijn verstand. In zeker opzicht heb ik op die zondag ook geloofsbelijdenis gedaan, ook mijn God gevonden. Alleen heet mijn God Bach, en dat er ook andere goden naast hem gekomen zijn, of toen al waren – Mozart, Schubert, Verdi, Wagner – zal hem wel niet naijverig maken, want mijn diepste, grootste en langdurigste liefde geldt toch Johann Sebastiaan Bach, en dan vooral de Bach die zich op die zondag aan mij openbaarde, de Bach van de cantates, de Bach die de mooiste melodieën gecomponeerd heeft die er bestaan, met als een van de toppunten in dat ontzagwekkend oeuvre die bas-aria uit cantate 104.

Vooruit, toch nog een citaat dan, omdat bookgrlss deze ook gekozen had.

Een dun laagje poedersneeuw bedekte de kale boomkruinen langs de weg. Het leek of God de wereld nog maar net had geschapen en erover dubde of het wel goed gelukt was. ‘Te wit,’ hoorde ik Hem mompelen, ‘het is te wit’,en Zijn Zoon zei: ‘Dat wit kan weg, Vader, dat laten we gewoon smelten.’ ‘Jij hebt altijd goede ideeën, jongen,’ zei de Vader.

Wat ik knap vind is dat hij zomaar, schijnbaar terloops, frases in het boek herhaalt, opnieuw gebruikt. Bijvoorbeeld, rond het tijdstip van de moord (toch de inhoud dus) wordt een lied gezongen waarin wolken, lucht en water voorkomt. Aan het eind zit Alex met zijn schoonvader aan het water (au bord de eau) en dan schrijft ’t Hart “Lang zaten we naar de wolken, de lucht en het water te kijken […]” Natuurlijk, dat past precies op die plek, maar de verbintenis naar het begin van het boek lijkt welbewust. Waar zij op dat moment zitten en lopen is ook de plek uit het lied van Gabriel Fauré waar de titel naar verwijst en waarvan de tekst integraal in het boek is opgenomen.

Sentir l’amour, devant tout ce qui passe,
Ne point passer!